Interview Rene Dessing – directeur stichting Erfgoed Landfort

Modderplassen, bouwketen, graafmachines, mannen in werkkleding met veiligheidshelm. Een statig, geelgekleurd landhuis dat zich opricht uit de bouwput. Een kakafonie van radio’s, cirkelzagen en klopboren. De restauratie van Huis Landfort, een onlosmakelijk ensemble van huis en tuinen, is in volle gang. Kunsthistoricus René Dessing, directeur van stichting Erfgoed Landfort (sEL), is verantwoordelijk voor dit gigantische project. Voor hem geen werk, hij doet het met liefde: “Het kost geen energie als je aan iets moois werkt, het geeft juist energie.”


René Dessing, directeur stichting Erfgoed Landfort

Huis Landfort heeft een turbulent verleden. De aan drie zijden door Duitsland omsloten buitenplaats, met in het Westen de Oude IJssel als natuurlijke grens, is de plek waar de Canadezen in april 1945 de Duitsers ons land uit joegen. De hevige gevechten eisten een zware tol, ook voor Huis Landfort. De in 1823 aangebouwde vleugel van het landhuis en de duiventoren werden zwaar beschadigd en het omvangrijke koetshuis met de paardenstallen en de inpandige tuinmanswoning brandden af. Ook het bomenbestand kreeg het zwaar te verduren. René: “Sinds het ontstaan van de buitenplaats is er altijd veel aan het landhuis geprutst. De geschiedenis gaat terug tot 1434, toen Huis Landfort voor het eerst in een document als havezate Lanckvoorde werd genoemd. Sindsdien is er een stroom van eigenaren geweest, waarvan een deel zich de buitenplaats eigenlijk niet konden veroorloven: ze kochten boven hun stand, erfden en hadden geen geld voor successierechten of onderhoud, konden de hypotheek niet betalen of moesten schulden aflossen met de opbrengst van het huis.”

Metamorfose en revitalisatie

“In 1823 kwam aan dit zorgelijke voortbestaan een eind toen Johann Albert Luyken, oogarts en telg uit een voornaam Duits-Nederlands koopmansgeslacht, de buitenplaats Huis Landfort voor 20.798,05 gulden kocht. Het was het begin van een volledige metamorfose en revitalisatie. Luyken schakelde de Duitse architect-aannemer Johann Theodor Übbing in die veel werk verrichtte voor de Fürst zu Salm-Salm op de Waterburcht Anholt, die hier even verderop achter de bosjes ligt. Ook kocht hij alle oude leenrechten van het vorstendom af waardoor er een einde kwam aan de eeuwenoude verbintenis van Huis Landfort met deze Duitse adellijke familie. Naast Übbing trok Luyken de bekende tuinarchitect Johan David Zocher jr. aan die tekende voor het ontwerp van de tuin en moestuin. Na een relatief rustige periode, ruw onderbroken door de Tweede Wereldoorlog, verkoopt de familie Luyken Landfort in 1970 aan de Stichting Gelders Landschap. Die stichting financierde in 1980 een cascorestauratie waarbij gevels en daken werden hersteld. Het park werd ook aangepakt, de grachten gebaggerd en de gedempte visvijver in de moestuin opnieuw uitgegraven. Mede dankzij deze restauratie en een volgende restauratie door architect Bob van Beek in 1998, is Huis Landfort behouden gebleven. Het vormt de basis waarop wij nu verder bouwen.”

Bij leven welstand delen

“De mogelijkheid om Huis Landfort weer in oude luister te herstellen komt van een vermogend echtpaar dat bij leven een deel van hun welstand willen delen met de samenleving. Een ontmoeting tussen dit echtpaar en mij heeft ertoe geleid dat dit initiatief is ontstaan. Ik kreeg de ruimte om het beleidsplan op te stellen en inmiddels ben ik samen met mijn levenspartner Wim Dröge drie-en-een-half jaar bezig met de uitvoering van dit plan. Het echtpaar is zeer betrokken, maar op enige afstand. De stichting bestaat bij de gratie van hun grote particuliere schenking. Die is niet geheel toereikend, daarom blijven we fondsen benaderen. Dit leverde inmiddels al ruim 3.5 miljoen euro op waardoor het ook een breed gedragen maatschappelijk initiatief is geworden waarbij het particuliere initiatief met maatschappelijke betrokkenheid harmonieus samengaan. Een solide basis die straks hopelijk kan worden aangevuld met gelden uit de exploitatie voor het in stand houden van de buitenplaats. Een bijzondere actie is de recent gestarte crowdfunding om de buitenplaats te verrijken met vijftig bijzondere of rijkbloeiende bomen. Er zijn nog een paar bomen over, dus wie dit schitterende erfgoed een warm hart toedraagt, moet zeker even op onze website kijken.”

Onwaarschijnlijk obscuur

“Ik heb jarenlang het cultureel organisatiebureau Artifex in Amsterdam gehad waarmee ik inhoudelijke culturele programma’s organiseerde voor een geïnteresseerd publiek. Via dit bureau – het bestaat nog steeds – wilde ik delen wat mij beweegt in schoonheid. Na twintig jaar vond ik het mooi geweest en heb ik het verkocht waarna ik in 2006 met Wim op Huis te Manpad ben gaan wonen, een prachtige historische buitenplaats in Heemstede. Daar ben ik de schoonheid gaan zien van dit type erfgoed. Ik ontdekte toentertijd ook hoe onwaarschijnlijk obscuur de Nederlandse buitenplaatsen feitelijk waren. Veel van mijn vrienden die vanuit Amsterdam of elders bij ons op bezoek kwamen, keken hun ogen uit. Het zei ze niets, het begrip van een buitenplaats was volstrekt onbekend. Dat heeft mij aan het denken gezet en in 2008 heb ik het initiatief genomen om het nationaal themajaar van de historische buitenplaatsen te organiseren. Ik heb mijn netwerk ingeschakeld en een grote groep vrijwilligers over het hele land warm gemaakt om dit idee in 2012 te realiseren. Daarnaast heb ik de provincies betrokken – buitenplaatsen vallen onder hun verantwoordelijkheid – met een comité van aanbeveling waarin alle Commissarissen van de – toen nog – Koningin zaten. De behoudende wereld van kastelen en historische buitenplaatsen was niet echt enthousiast: men piept en klaagt graag en geregeld over van alles en nog wat. En als je ze dan zegt ‘We gaan er wat aan doen’, dan gaan de hekken soms snel dicht, want dat was natuurlijk ook weer niet de bedoeling. Het bleek een lastige groep te zijn. Maar desondanks heeft dit themajaar de historische buitenplaats wel op de provinciale politieke agenda geplaatst, men is zich nu meer bewust van de schoonheid, de pracht, de last en de kosten.”

Drie verschillende dimensies

“Na het Themajaar voor de Historische Buitenplaatsen heb ik in 2014 de stichting Kastelen, historische Buitenplaatsen & Landgoederen (sKBL) opgericht. Deze stichting zet zich op allerlei manieren in voor het behoud en beheer van historisch monumentaal erfgoed in Nederland. Als je de buitenplaats vooral ziet als een particulier bezit dan zullen weinig mensen in de samenleving in jouw zorgen geïnteresseerd zijn. Maar als je benadrukt dat je een belangrijke culturele waarde in stand houdt die vier à vijf eeuwen oud is, dan kan de politiek je helpen en ontstaat maatschappelijke waardering voor de inspanningen van eigenaren. En hoewel kastelen, historische buitenplaatsen en landgoederen allemaal tot het historisch monumentaal erfgoed behoren, hebben ze verschillende historische wortels. Het zijn drie uiteenlopende dimensies. Kastelen gaan terug tot de late middeleeuwen en zijn vaak verweven met de grafelijkheid, leenheren, heerlijkheden en rechtspraak. En het zijn steenhuizen ter bescherming van de horigen die in de omgeving woonden. Buitenplaatsen komen vrijwel volledig voort uit de welvaart van de Amsterdams en andere stedelijke kooplieden en de instroom van Vlaams kapitaal ten tijde van de 80-jarige oorlog. Rond 1630 komt het leven op deze buitenplaatsen op gang, het is in feite een elite-geschiedenis; buitenplaatsen zijn de vrucht van de kooplieden in de burgerlijk gedomineerde Republiek der Nederlanden. Hiertegenover staat de adel die zich sinds de 16e eeuw veelal terugtrekt op haar landgoederen in Oost-Nederland. Waar zij hun inkomsten halen uit landbezit, agrarische opbrengsten, pacht en tol, hebben buitenplaatsen dat niet nodig. Het zijn de ‘pleasure grounds’ van de koopman die zijn geld verdient met handel. Bij deze lusthoven vormen huis en tuin een samengeklonken eenheid waarbij er zoveel mogelijk natuur in huis wordt gehaald. De wisselwerking tussen leven in huis en de beleefbare omringende natuur is waar het om gaat. Hoe meer vensters, hoe meer je die fantastische natuur kunt beleven.”

Niet als decor voor huwelijken en partijen

“Die verbinding tussen huis en de omliggende natuur zie je ook aan de 50 vensters die Huis Landfort telt. Een deel daarvan was dicht gemetseld, die brengen we nu weer terug in hun oorspronkelijke staat. En al die vensters krijgen weer binnen- en buitenluiken. Verder was er een inpandige oranjerie, heel zeldzaam, alleen Jachtlust in ’s-Gravenland heeft er ook een. Die gaan wij vervangen door een inpandige wintertuin, of eigenlijk meer een palmenkamer, een laat 19e-eeuwse uitvinding waarmee in het huis ‘buiten’ en ‘zomer’ werden gesuggereerd. Het wordt waarschijnlijk de leukste ruimte, met een wand vol prachtige porseleinen papagaaien afkomstig uit onze collectie en een tegelkacheloven uit 1823 uit Slot Zeist. Als alles klaar is, is het mogelijk om vier prachtig ingerichte ruimtes op de benedenverdieping af te huren voor representatieve ontvangsten tot maximaal 24 personen. Speciaal daarvoor wordt op dit moment in België een coulissetafel gemaakt met bijpassend meubilair. Het idee is de gasten aan de hand van de kunstvoorwerpen in het huis het verhaal van de buitenplaatsen te vertellen. Ik wil af van het idee dat buitenplaatsen worden gebruikt als decor en mooie ambiance voor huwelijkspartijen en feesten. Het gaat mij om de historische dimensie, om de natuurwaarde van deze plek. Die moet je dienen, alles moet passen binnen het historische gebruik van het erfgoed. Dus ook nooit grote beurzen waarbij 5000 man de tuin ruïneren, alles moet dienstbaar zijn aan het in stand houden van deze wonderschone plek.”

De juiste mensen

 “Mijn grootste zorg als straks alles klaar is, is het behoud van wat we hebben neergezet. Zo werd ik laatst gebeld met de vraag of het misschien mogelijk was om volkstuintjes in de moestuin te maken. Een heel leuk plan natuurlijk, maar dat past volstrekt niet. Daar moeten we voor blijven waken. Dat betekent goed uitleggen om begrip en besef te kweken van hoe deze plekken in het verleden hebben gefunctioneerd. De harmonie en de balans voortvloeiend uit het oorspronkelijke ontwerp van huis en tuinen. Daar werken we nu aan met een fantastisch team van gespecialiseerde bouwbedrijven en onderaannemers en vier gespecialiseerde architecten voor het huis, het koetshuis, de parktuin en de moestuin. Stuk voor stuk vakmensen die niet op hun strepen gaan staan, die gemotiveerd zijn om er samen iets moois van te maken. Die bezieling en het samen werken aan dit paradijs, dat is wat Wim en ik bijdragen samen met het echtpaar dat dit project grotendeels financiert. Het kost geen energie als je aan mooie dingen werkt, het geeft juist energie. Ondanks de omvang van het team, verloopt alles tot op heden in harmonie en zonder problemen. Dat krijg je als je met de juiste mensen in zee gaat.”

We hebben geen benul

“Nederland is een enorm verstedelijkte samenleving, we hebben over het algemeen weinig benul van grond en land en alles wat daarmee samenhangt. We begrijpen in ons land het systeem achter de landgoederen niet, een stedeling die hier rondrijdt ziet in feite niks. Dat is in Frankrijk, Duitsland en Engeland echt anders, daar is een veel groter besef van de monumentaliteit van het landschap en de betekenis van landbezit. Dat komt doordat de adel daar een grote dominante heeft in het landbezit. Bij alles wat ik doe, probeer ik de mensen te laten zien in plaats van kijken, hen een context met uitleg te geven. Dat die vijf buitenplaatsen waar ze toevallig langsreden allemaal uit dezelfde elitegeschiedenis zijn voortgekomen. Dat ze met elkaar verbonden zijn, voortkomen uit eenzelfde geschiedenis en dat de vormentaal dezelfde is. In dit kader heb ik ook een paar boeken gepubliceerd over historische buitenplaatsen. Zo schreef ik samen met Jan Holwerda de Nationale Gids historische Buitenplaatsen. Daarnaast een boek over de Amsterdamse buitenplaatsen en een boek over de Haagse buitenplaatsen. Voor Duitsland zijn deze beide boeken samengevoegd door Uitgeverij Schnell und Steiner in Regensburg en als eerste Duitse boek over dit onderwerp uitgegeven. Op dit moment werk ik samen met Lenneke Berkhout aan een boek over de Utrechtse buitenplaatsen. Meer kennis en besef kweken voor dit type monumentaal erfgoed, dat wil ik ook op Huis Landfort gaan doen met hulp van 120 vrijwilligers die interesse in deze wereld hebben. Samen wat neerzetten wat bezielt en verrijkt, daar gaat het mij om hier aan de mooie rand van Nederland.”

18 miljoen Duitsers

“Ik heb mij altijd verbaasd over de relatief eenvoudige vormgeving van de het bloembollenpark op Keukenhof – overigens ook een buitenplaats – waar jaarlijks acht miljoen mensen zich lopen te vergapen aan vier identieke parkdelen.  Wij gaan hier een kleine variant neerzetten, onder meer door het inbrengen van grote hoeveelheden stinsen en door de aanleg van 19e-eeuwse bloemenmedaillons. Veel buitenplaatsen hadden vroeger dergelijke bloembedden met ingewikkelde patronen van eenjarige vetplanten, siernetels, tulpen en andere bloemen. Spectaculaire bloembedden die ontzettend veel tijd kosten in het onderhoud maar die de moeite meer dan waard zijn. We gaan er twee aanleggen naast de stinsenplantenvegetatie die we dankzij een donatie van het Prins Bernhard Cultuurfonds konden aanplanten. Stinsenplanten zijn verwilderde wortel-, knol- en bolgewassen. Er zijn vroegbloeiende stinsen zoals sneeuwklokjes, maar ook soorten die pas in maart, april en mei bloeien. Zelfs in juni zijn er nog stinsen die in bloei komen. Het Prins Bernard Cultuurfonds doneerde overigens al eerder een ton voor het herstel van de oude moestuin. Over bezoekers maak ik me geen zorgen. Er wonen zo’n 18 miljoen Duitsers binnen een uur rijden in Kleef, Emmerich, Düsseldorf en het Ruhrgebied, allemaal helemaal gek op historisch erfgoed. Het is een enorm potentieel naast de vele ondernemers in de Achterhoek. Niet veel mensen weten dit in ons land, maar er zitten hier enorm veel bedrijven en grote, internationale concerns die Huis Landfort straks zeker weten te vinden. Naast het in stijl ingerichte landhuis komt er namelijk ook een auditorium in het koetshuis met een capaciteit voor 120 man. Van de Amsterdammers moet ik het waarschijnlijk niet hebben, die denken dat het een uithoek van de wereld is en komen hier allemaal een uur te vroeg aan met een lunchpakketje in hun tas, want het is toch zo ver weg.“

Ik geef hem wel een kleurtje

 “Ook in de inrichting willen we de sfeer van begin 19e eeuw terug laten komen. Van, Maria Luyken-Henke, weduwe van de laatst levende Luyken, kregen we een mooie schenking waarmee we vier stijlkamers op de eerste etage op een 19e-eeuwse, historische wijze gaan inrichten. Daar komt ook een prachtige badkamer uit die periode die we in langdurige bruikleen krijgen van Kasteel Twickel te Ambt-Delden. In die vier kamers huist dan de geest van de Luykens, de overige ruimtes richten we in met antiek dat de stichting bezit of nog verwerft. En dat gaat verrassend gemakkelijk, de jonge generatie heeft geen interesse in en benul van antiek. Een vriendin van mij had een prachtige antieke kast, al 300 jaar adellijk familiebezit. Toen ze haar dochter vroeg of zij hem misschien wilde, zei haar kind: ‘Nou, ik wil hem wel, maar dan geef ik hem wel een kleurtje.’ Die kast staat dus nog steeds bij ma. Zo zonde, de komende generatie is weinig bezig met de continuïteit. Ik ben benieuwd hoe dat over 30 jaar met miljoenen kunstvoorwerken is gegaan, ik houd mijn hart vast. Maar voor ons is het een zegen, we krijgen echt hele mooie dingen. Staat er weer zo’n oude dame jammerend op de stoep of ik alstublieft haar Rembrandt wil nemen. Nee, zonder gekheid, we hoeven er weinig voor te doen. Zo was ik laatst bij een familie waar ik mijn auto mocht laden met tin en damast, schitterende stukken waar de kinderen geen interesse in hadden. Kon ik zo voor Huis Landfort meenemen.”

Hybride gebruik

“Het uiteindelijke gebruik van de buitenplaats wordt hybride en houdt het midden tussen een museum en een bewoond huis. Een deel wordt privéwoning, terwijl de overige vertrekken museaal zijn ingericht met een collectie topkunst, een bibliotheek voor boeken over kastelen en historische buitenplaatsen en een speciale porseleinkamer. Mensen bezoeken liever een bewoond huis dan een museaal benut huis. In een bewoond huis hangt een speciale sfeer. Daarnaast komt hier het nationaal centrum voor de Nederlandse buitenplaatsencultuur. Ik merk dat steeds meer mensen meegaan in het enthousiasme. Wat ons werk vereenvoudigt, is dat dit huis altijd redelijk op zichzelf heeft gestaan, ik ben niet gebonden aan allerlei verbanden met de omgeving. En de schade door de oorlog heeft ook een voordeel: alles wat wij nu doen herstelt verloren schoonheid. Ik ben hier vooral met schoonheid en harmonie bezig en creëer als het ware mijn eigen paradijs dat ik graag wil ik delen met vele anderen.”